De wet van 20 december 2020 houdende dringende diverse fiscale en fraudebestrijding bepalingen werd op 30 december 2020 gepubliceerd in het Belgische Staatsblad. Zoals de titel het aangeeft richt deze wet zich ook op de fraudebestrijding. Met name de notie belastingparadijs werd uitgebreid en omvat voortaan ook de entiteiten gevestigd in jurisdicties die door de Europese Unie als niet-coöperatief worden aangemerkt.
In tegenstelling tot wat velen denken, wordt het begrip “belastingparadijs” als dusdanig niet wettelijk gedefinieerd. In het normale taalgebruik dekt de vlag ook vele ladingen en is overigens ook sterk subjectief gekleurd en afhankelijk van de vergelijkende maatstaf die wordt gehanteerd.
In essentie kan men het begrip belastingparadijs vanuit twee invalshoeken benaderen.
Een eerste (klassieke) benadering is diegene waarbij men verwijst naar landen (of staatkundige onderdelen) waar geen of nauwelijks belasting (op het inkomen) wordt geheven, dan wel naar bepaalde gunstregimes vervat in het belastingstelsel van die landen. Dit is ook meestal de invalshoek die door de individuele staten wordt gehanteerd en waarbij ze a.h.w. hun eigen belastingregime als maatstaf nemen om te beoordelen of een ander land al dan niet ‘abnormaal’ weinig belastingen heft. Hoe hoger de belastingdruk in eigen land, hoe sneller men dan ook de (administratieve of politieke) reflex ontwikkelt om buitenlandse rechtsstelsels met enig wantrouwen te bekijken.
Het is deze benadering (in diverse gedaanten) die men traditioneel terugvindt in het gros aan bepalingen die België heeft uitgevaardigd om te vermijden dat inkomsten, gealloceerd in of afkomstig uit ‘belastingparadijzen’, buiten de eigen heffingsbevoegdheid zouden blijven (zie bv. de Kaaimantaks, de DBI-aftrek, de CFC-regelgeving, de toekenning van abnormale of goedgunstige voordelen, de onderkapitalisatieregel, …). Voor een specifiek aantal bepalingen bestaan ook (al dan niet illustratieve) lijsten (in de regel opgenomen in Koninklijke Besluiten).
Een tweede benadering is van formele aard en peilt naar de mate waarin een staat al dan niet voldoende transparantie verleent aan andere staten. Hier speelt traditioneel vooral de OESO een leidende rol. Met name het Mondiaal Forum inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen in belastingaangelegenheden onderzoekt op recurrente basis welke landen in deze tekort schieten. De meest recente OESO-lijst werd in december 2020 gepubliceerd, zie global-forum-annual-report-2020.pdf (oecd.org). Wat specifiek de uitwisseling van inlichtingen op verzoek betreft, blijkt dat Anguilla, Guatemala en Trinidad en Tobago momenteel gebrandmerkt staan als landen die niet beantwoorden aan de vereiste standaarden. Ook de EU heeft gaandeweg haar huiswerk gedaan en publiceert nu ook recurrent een lijst met landen die als niet-coöperatief worden aangemerkt. De meest recente EU-lijst dateert van oktober 2020 en omvat de volgende jurisdicties: Amerikaans Samoa, Anguilla, Barbados, Fiji, Guam, Palau, Panama, Samao, Seychellen, Trinidad en Tobago, Amerikaanse Maagdeneilanden en Vanuata, zie https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:C:2020:331:FULL&from=NL.
Van deze tweede benadering werd in de Belgische interne wetgeving maar beperkt gebruik gemaakt.
Zo bestaat er (in de vennootschapsbelasting en de BNI-vennootschappen) een verplichting om in de aangifte betalingen van minstens 100.000 EUR aan belastingparadijzen te rapporteren. De ‘belastingparadijzen’ omvatten hierbij niet enkel rechtsgebieden zonder of met een lage belasting (eerste benadering), maar ook rechtsgebieden die voorkomen op de hiervoor aangehaalde lijst van het Mondiaal Forum.
De kersverse wet van 20 december 2020 brengt hierin nu verandering.
De Europese lijst van niet-coöperatieve landen, die voorheen eigenlijk geen onmiddellijke relevantie had, wordt nu in de fiscale wetgeving geïntroduceerd, met als onmiddellijk impact dat in een aantal bepalingen aan de notie ‘belastingparadijs’ wordt gesleuteld.
In lijn met de reeds bestaande (en hiervoor aangehaalde) aangifteverplichting in de vennootschapsbelasting, wordt nu ook de verplichting ingevoerd om alle betalingen aan entiteiten gevestigd in rechtsgebieden opgenomen op deze Europese lijst, te gaan rapporteren. De herschreven bepaling is van toepassing voor betalingen vanaf 1 januari 2021.
Daarnaast zal een entiteit, met rechtspersoonlijkheid, die gevestigd is in één van de staten die op die Europese lijst staan, voortaan vermoed worden onder het toepassingsgebied van de Kaaimantaks te vallen. Hier gaat het vooral om een bewijslastregel in die zin dat de belastingplichtige het vermoeden van onderworpenheid aan de Kaaimantaks kan weerleggen, bv. door aan te tonen dat de geviseerde entiteit wel degelijk een ‘normaal’ belastingregime ondergaat (wat voor de toepassing van de Kaaimantaks concreet betekent dat er in die jurisdictie een inkomstenbelasting van minstens 15% verschuldigd is, waarbij de berekening dan wel moet gebeuren overeenkomstig de regels die van toepassing zijn voor het vestigen van de Belgische belasting). De wijziging is van toepassing op belastbare tijdperken die vanaf 31 december 2020 worden afgesloten.
Ook aan de CFC-regeling wordt gesleuteld. Deze regeling laat toe de niet-uitgekeerde winst van buitenlandse vennootschappen op te nemen in de belastbare grondslag van de binnenlandse vennootschap, voor zover deze voortkomt uit een kunstmatige constructie of een reeks van constructies opgezet met als wezenlijk doel een belastingvoordeel te verkrijgen. Tot op heden worden enkel buitenlandse vennootschappen geviseerd waarover een daadwerkelijke controle bestaat (bv. omdat de binnenlandse vennootschap de meerderheid van de stemrechten bezit) en die effectief niet aan inkomstenbelasting zijn onderworpen ofwel onderworpen zijn aan een inkomstenbelasting die minder dan de helft bedraagt van de vennootschapsbelasting die naar Belgische maatstaven verschuldigd zou geweest zijn. Voortaan moeten deze voorwaarden evenwel buiten beschouwing worden gelaten indien de buitenlandse vennootschap gevestigd is in een rechtsgebied dat op het einde van het belastbare tijdperk werd opgenomen op de EU-lijst van niet coöperatieve rechtsgebieden. Ook deze wijziging is van toepassing op belastbare tijdperken die vanaf 31 december 2020 worden afgesloten.
Tot slot wordt ook de taxatievereiste m.b.t. DBI-aftrek aangescherpt. Aldus wordt de DBI-aftrek voortaan automatisch geweigerd voor zover de ontvangen dividenden voortkomen uit vennootschappen die gevestigd zij in een rechtsgebied dat op het einde van het belastbare tijdperk is opgenomen op de EU-lijst van niet coöperatieve rechtsgebieden. Deze wijziging is van toepassing op dividenden die zijn toegekend vanaf 1 januari 2021.